|
|
klik hier voor informatie over de
tentoonstelling rond abt J.B. Sophie
21 t/m 28 oktober 2001
|
|
|
|
In de abdij van Grimbergen heeft abt Sophie in de achttiende eeuw duidelijk zijn sporen nagelaten.
Daarvan getuigen niet alleen de pastorie
evenals tal van grote en belangrijke schilderijen in de abdijkerk,
maar ook de twee fraaie sacristieën die hij schitterend liet inrichten.
Ook in de kast van het grote orgel
is nog een ruim gedeelte te herkennen van het ongetwijfeld mooie en goede orgel
waarvan abt Sophie in zijn tijd veranderingen liet aanbrengen.
De wapenspreuk van abt Sophie is, met een intelligente knipoog naar zijn familienaam, "SUPER ASTRA SOPHIA".
De wijsheid troont boven de sterren,
hoger dan de sterren aan het firmament is de (bijbelse) Wijsheid verheven.
|
Zo'n 250 jaar geleden klonken hier in de abdijkerk te Grimbergen feestelijke muziektonen.
Zoals dat bij grote feesten de gewoonte was,
had organist Edmond Claessens hiervoor een partituur met preludia en versetten in diverse kerktonen ontleend
bij zijn collega kapelmeester van de Sinte-Goedele te Brussel.
Bij het opklaren van de dag hadden enkele jonge mannen met kanongebulder - kronieken overdrijven gemakkelijk;
eigenlijk ging het om het schieten met kanonnetjes zoals dat een paar decennia geleden nog gebruikelijk was
bij huwelijksplechtigheden - Grimbergen er aan herinnerd dat er in de abdij wat bijzonders te doen was.
Ook de klokkenluiders hadden die bijzondere dag voor Grimbergen al van 's morgens aangekondigd.
Wat was er dan wel te doen hier in de abdij te Grimbergen?
Om precies te zijn, op dinsdag 9 september 1755 verwelkomde Grimbergen,
kanunnik Jan Baptist Sophie als nieuw verkozen abt van de Norbertijnerabdij.
Gans Grimbergen - volgens de bijdrage van Frank Daelemans in het boek dat de tentoonstelling begeleid,
telde Grimbergen zo'n 1800 inwoners, meestal landbouwers - moet die dag op de been zijn geweest.
Ook volk uit omliggende dorpen en uit Brussel, Vilvoorde en Mechelen
was naar Grimbergen gekomen om toch maar iets te kunnen zien van de pracht en praal
waarmee de nieuwe prelaat werd verwelkomd.
De kroniek zegt dat in de afspanningen in het dorp nergens nog eten of drank was te krijgen.
's Middags had abt Sophie in de refugie te Brussel afscheid genomen van zijn buren en vrienden.
Te Vilvoorde aan de 'Drij Gaeten' werd hij begroet door de pachters van de abdij.
Ze vergezelden de nieuwe abt tot aan het huis Marly waar een erewijn werd geschonken.
Aan de 'Drie Fonteinen' te Vilvoorde stonden de jonggezellen uit Grimbergen
die uitgedost waren in een Hongaars uniform en de abdijknechten gekleed als edelen.
Net over het kanaal werd de nieuwe prelaat opgewacht door de schuttersgilden van Grimbergen en door kinderen,
in witte kleren, die landbouwwerktuigen droegen.
Allen vergezelden zij abt Sophie naar Grimbergen waar de zes rijtuigen, na een rondrit in het dorp,
rond 4 uur in namiddag aan de abdij arriveerden.
Aan de abdijkerk werd de prelaat door het voltallige convent opgewacht.
Prior Evrard hield een korte toespraak,
bood wijwater aan en leidde abt Sophie naar het hoogaltaar waar een plechtig Te Deum werd aangeheven.
Na de zegen met het H. Sacrament reed de abt in zijn koets
naar de prelatuur die versierd was met jaarschriften.
Ook hier verdrong zich een menigte kijklustigen om de nieuwe prelaat te zien.
Die heuglijke dag bleef de communauteit tot 10 u 's avonds tafelen.
En dit was nog maar een begin.
De abtswijding zelf had plaats op zondag 14 september 1755.
De voorgevel van de abdijkerk was voor die gelegenheid versierd met het wapen van abt Sophie,
van kardinaal d'Alsace en van het Huis van Habsburg en verder met papieren ballonnetjes.
De avond voordien was kardinaal d'Alsace rond 6 uur onder het luiden van de grote klok
en het spelen van de beiaard in Grimbergen gearriveerd.
Op de dag zelf begon de plechtigheid om 6 u 30 's morgens.
Twee premonstratenzerabten Franciscus Valvekens, prelaat van Dielegem en Franciscus van Heck,
prelaat van Berne, assisteerden de kardinaal bij de abtswijding.
Deze plechtigheid werd afgerond met het opzetten van de mijter,
het overhandigen van de staf, het omhangen van het borstkruis en het aan de vinger steken van de ring.
Op het einde werd abt Sophie, na dat hij gehoorzaamheid,
eerbied en bijstand had beloofd door de kardinaal naar de koorzetel geleid.
De intronisatie werd besloten met het zingen van een Te Deum.
Door de misviering in hun parochie konden vele buitenheren die zondagvoormiddag niet aanwezig zijn,
maar 's middag waren ze allen present bij het feestmaal dat tot 17 uur uitliep.
Jonge confraters zongen een cantate en lector Jan Baptist Kips
en de studenten van het College van Prémontré te Leuven droegen elk een gelegenheidsgedicht voor.
Na het avondeten voerden de religieuzen nog een komedie op.
Dinsdag 16 september 1755, werd de requiemmis opgedragen voor de zielenrust van prelaat Casens.
Prior Evrard diende de mis te zingen want abt Sophie was hees en leed aan reumatiek.
Na de dienst werd het feestvieren hervat.
Onder het middagmaal werd gemusiceerd en de norbertinessen van Tussenbeek
zongen een Vlaams loflied ter ere van hun nieuwe vader-abt.
's Avonds voerde men nog een tweede komediestuk op.
Nadien volgde er nog tot laat in de nacht vuurwerk.
Hiermee werden de installatieplechtigheden van abt Sophie afgerond.
Ik deel U deze details mee om U aan te tonen met welk een grote festiviteiten
abt Sophie hier te Grimbergen werd ingehaald.
Maar wie was abt Sophie en wat betekende hij voor de norbertijnenabdij te Grimbergen ?
Prelaat Jan Baptist Sophie was een Brusselaar.
Zeker in de 16de eeuw al oefenden meerdere leden van zijn familie de beenhouwersstiel uit,
anderen hadden fortuin gemaakt als vishandelaar. Henricus Sophie,
de grootvader van abt Sophie, was meester-beenhouwer en handelaar in gezouten vis
en woonde te Brussel in de Beenhouwersstraat.
Uit zijn huwelijk met Anna van der Haeghen werden tien kinderen geboren,
waaronder Franciscus Antonius, de vader van abt Sophie.
Deze Frans Antoon Sophie behaalde in 1676 aan de universiteit te Bologna
het doctoraat in het kerkelijk en het burgerlijk recht.
In 1681 werd hij advocaat in de Raad van Brabant.
Daarnaast was hij rentmeester van het Sint-Geertruihospice en vanaf 1692
tot zijn overlijden hoofdintendant van de Berg van Barmhartigheid te Brussel.
Eerst woonde François Antoine Sophie in de Sint-Goedele-parochie,
maar in 1692 verhuisde hij naar een rianter woning in de Sint-Gorik-parochie.
In 1719 werd hij door keizer Karel VI van Oostenrijk geadeld tot ridder van het H.R.Rijk.
Ridder Sophie stierf te Brussel in de St.-Goriksparochie in 1735.
Hij werd bijgezet in het graf van de familie Sophie in de kerk van de Dominicanen.
Kort na dat zij in de Sint-Gorik-parochie waren ingeweken,
kreeg het echtpaar Franciscus Antonius Sophie - Maria Anna Cruyl in 1692 een derde kind, opnieuw een zoon.
Bij zijn doopsel gaven zijn ouders hem twee voornamen: Joannes-Baptista en Paulus.
Deze laatste voornaam kreeg het kind omdat het was geboren op het feest van de apostelen Petrus en Paulus.
Nog maar drie jaar oud maakte de kleine Jan-Baptist midden augustus 1695 het bombardement van de stad Brussel mee.
In opdracht van Lodewijk XIV liet maarschalk de Villeroy toen 3000 bommen en 1200 gloeiende kogels op Brussel afvuren.
Het trieste resultaat was: 3830 huizen waren verbrand
o.a. het huis van grootvader Sophie en zestien kerken waaronder de Sint-Niklaaskerk
en het klooster van de dominicanen in de Lange Ridderstraat.
Ook de refugie van Grimbergen in de Oude Kleerkopersstraat ging geheel verloren.
Dit trauma moet abt Sophie gans zijn leven zijn bijgebleven.

Regulier kanunnik in de norbertijnenabdij te Grimbergen.
Een belangrijke dag in het leven van de jonge Sophie was vrijdag 14 januari 1710.
Toen trad hij in bij de norbertijnen te Grimbergen. Abt was de 66-jarige Herman de Munck,
een man zacht van aard en met een aangenaam karakter, te tolerant,
met als gevolg dat de discipline niet was wat ze volgens de statuten hoefde te zijn.
Bij zijn intrede in de abdij te Grimbergen was Sophie 17 jaar en 6 maanden oud
en daarmee de jongste postulant van al diegenen die in de 18de eeuw te Grimbergen zullen intreden.
Sophie moet toen in Grimbergen al een goede indruk hebben gemaakt,
aangezien hij nog zo jong als postulant werd toegelaten.
Wie hem naar Grimbergen had georiënteerd is niet geweten.
Feit is dat in die jaren van de 48 kloosterlingen die witheer waren te Grimbergen
er twee op drie geboren waren te Brussel.
Na slechts 19 dagen postulaat - de pas ingetreden kloosterling
had daarbij in niet opvallende burgerkleren deelgenomen aan het kloosterleven -
volgde voor Sophie met lichtmis 1710 de inkleding.
Bij het begin van het noviciaat kregen de postulaten niet alleen het kloosterhabijt opgelegd,
maar werd hen ook een kloosternaam gegeven. Sophie mocht evenwel zijn roepnaam behouden,
ook al waren er op dat ogenblik drie kloosterlingen met de naam Jan Baptist.
In 1711, twee dagen na kerstmis, legde Sophie zijn eeuwige professiegeloften af.
Daarna volgde de opleiding tot het presbyteriaat.
Eind mei 1715, op O.L.Heer Hemelvaart, werd hij te Antwerpen in de O.L.Vrouwkathedraal tot priester gewijd.
Dat kwam omdat de aartsbisschoppelijke zetel na het overlijden van aartsbisschop de Precipiano
nog steeds niet was ingenomen. Omdat hij nog 23 jaar moest worden,
had de abdij voor hem pauselijke dispensatie moeten vragen.
Zijn eerste miscelebreerde hij hier in de abdijkerk.
Inmiddels was te Grimbergen op 2 maart 1715 Augustinus van Eeckhout tot abt verkozen.
De Grimbergse communauteit bestond toen uit 48 kloosterlingen:
met een gemiddelde leeftijd van 40 jaar; waarvan er slechts 19 in de abdij verbleven.
Volgens de generale visitatie waren de regenten die de abdij hadden bestuurd
tijdens de voorafgaande vacature veel te laks geweest.
De eerste taak van abt van Eeckhout was dus de observantie te herstellen.
Ook Sophie was groot voorstander van regeltucht.
Jan Baptist Sophie maakte in de abdij snel carrière.
Nog in 1716 werd hij privé-secretaris van de abt,
vervolgens zielzorger voor het dienstpersoneel en enkele maanden later cellier
waarbij hij moest zorgen voor de materiële noden van zijn confraters.
In 1727 werd hij aangesteld als protonotarius apostolicus en mocht hij optreden
als verbindingsagent tussen Rome en de norbertijnen.
Vanaf 1730 stond Sophie als pitantiarius in voor het financieel beheer in de abdij.
In die functie stelde hij ook een nieuw cijnsboek samen.
Nog hetzelfde jaar werd hij tweede provisor en een jaar later eerste provisor.
Nu kreeg hij er het beheer bij van de meer dan 900 ha gronden -
hij liet hiervoor een handig kaartboek samenstellen -
en moest hij zorgen om zo spoedig mogelijk de 40.000 gulden schulden af te betalen.
In 1731 werd hij ook aangewezen om de refugie te Brussel te beheren.
Rector in de refugie te Brussel.
Vanaf oktober 1737 nam hij vast verblijf in de refugie te Brussel.
Zo kon hij beter zijn zieke vader bijstaan in het beheer van de Berg van Barmhartigheid.
Zijn moeder was hem hiervoor zeer dankbaar.
Bij haar overlijden in 1741 erfde hij - als enig overgebleven kind - al haar roerend bezit:
meubels, lijnwaad, zilverwerk, gereed geld, boeken en kunstvoorwerpen.
Daaronder bevonden zich een paar schilderijen van de hand van Lucas Jordano,
m.n. een Geseling en een Ecce Homo die allebei in de beschotten hier in de sacristie werden ingewerkt.
Alles te samen kreeg de abdij te Grimbergen uit de erfenis Sophie 60.000 gulden,
en als ge weet dat men in die tijd met 1.000 gulden een stenen huis kon kopen,
kunt ge de omvang van die erfenis inschatten.
Het moet hem te Brussel wel zeer bevallen zijn: dicht bij zijn familie,
veel bezoek van vrienden en relaties en veel vrijer in zijn doen en laten.
Zo kon hij er de archieven klasseren en zelfs participeren aan het mondaine leven in de hoofdstad.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij in 1743 het pastoraat te Strombeek weigerde.
Sophie maakte in de refugie ook wel angstige momenten mee.
Eind januari 1746 werd de refugie door Frans kanonvuur getroffen.
Twee jaar lang logeerden er - natuurlijk op kosten van de abdij -
Franse dragonders en de hofhouding van intendant de Séchelles
die het veroverde gebied in naam van de Lodewijk XV bestuurde.
Hij kreeg er in 1747 ook een oorlogsbelasting van 1.037 gulden aan de Fransen te betalen
en in 1753 nogmaals 22.000 gulden aan amortisatierechten op de abdijgoederen.
En hij speelde het klaar.
Abt Casens en de communauteit brachten hem daarom een dankbare hulde
toen hij in de refugie te Brussel zijn zilveren ambtsjubileum als provisor vierde.
Ook wanneer hij al abt was, zal hij nog zeer geregeld in de refugie verblijven,
o.m. tweemaal per jaar wanneer hij deelnam aan de Statenvergadering,
in 1756 toen hij in een proces voor de Raad van Brabant het eigendomsrecht van de abdij
op de dam van de Maalbeek en definitieve vrijstelling verwierf van het lepelrecht aan het St.-Jansgasthuis te Brussel,
in 1760 toen hij herstellende was van reumatiek,
in 1762 toen hij er nog net bij tijd ontsnapte aan de brand van de refugie,
in 1765 wanneer hij er de eerste steen kwam leggen van de nieuwe refugie.
Zijn goede relaties te Brussel hielpen hem ook in 1765
aan een lening om de 50.000 gulden oorlogsbelasting te kunnen betalen
en aan 30.000 gulden voor de nieuwbouw en de herstellingen.
Zijn verkiezing tot abt van Grimbergen.
Jan Baptist Sophie is tot zijn verkiezing als abt in 1755 algemeen provisor gebleven
en in de refugie te Brussel blijven wonen.
Al in 1747, na het overlijden van abt van Eeckhout,
had de Franse bezetter hem de prelaatzetel aangeboden,
maar hij weigerde omdat hij wist dat de confraters hem niet gunstig gezind waren.
Franciscus Casens, de pastoor van Meise,
had de naam minder streng te zijn en bekwam zo de meeste stemmen achter zijn naam.
Na het overlijden van abt Casens in juni 1755 werd hij wel tot abt verkozen.
Jan Baptist Sophie kreeg toen 16 stemmen; Bernard Viron, 15; Xavier Le Mire 13; Guillielmus Bastiaenssens, 12.
Wie door keizerin Maria-Theresia zou worden benoemd, hing af van de aanbeveling van de Geheime Raad.
Achter de schermen werd gewerkt om die aanbeveling te beïnvloeden.
Sophie was de geprefereerde kandidaat van de vicaris-generaal.
Le Mire werd opgehemeld als behorend tot une noble et ancienne famille de Bruxelles en o.m.
verwant aan Joannes Miraeus, bisschop van Antwerpen.
Toch werd begin augustus 1755 Jan Baptist Sophie benoemd als abt van Grimbergen.
Als reden gaf men op le rapport avantageux qui a été fait à L'Imperiatrice
et Reine de votre merite et de votre capacité.
Vooral het gunstige financiële beleid van provisor Sophie was doorslaggevend geweest.
De ontvangsten bedroegen toen 32.000 gulden en de uitgaven 31.000 gulden,
of een boni van 1.000 gulden. Als abt zou Jan Baptist Sophie een zware taak op zich nemen.
Hoe bracht hij het er van af ?
In december 1755 werd prelaat Sophie lid van de provinciale Staten van Brabant.
Graag was hij ook lid van de bestendige deputatie geweest,
maar de abt van Heilissem kreeg de voorkeur.
In 1759 bood keizerin Marie-Theresia abt Sophie aan om lid te worden van de Raad van State,
maar hij bedankte er voor omdat het een "titel was die aan de abdij veel rook maar weinig voordeel zou verschaffen".
In 1756 werd prelaat Sophie vicaris-generaal van de abt-generaal van Premontré,
waarmee hij de opdracht kreeg te waken over de discipline in de circarieën van Brabant en Friesland.
Als vicaris-generaal nam hij meerder maatregelen die golden voor de ganse norbertijnerprovincie,
o.a. het openen van een studiehuis te Leuven, gekend als het College van Prémontré ,
het dragen van eenzelfde habijt en het plaatsen van een marmeren beeld van St.-Norbertus
in de St.-Pietersbasiliek te Rome.
Als vicaris-generaal assisteerde hij ook bij de verkiezing of de aanstelling van norbertijnenabten,
in 1756 en 1762 in de abdij van 't Park, in 1762 en 1772 in de St.-Michielsabdij te Antwerpen en te Tongerloo,
in 1771 te Berne (Vilvoorde).
Als abt van Grimbergen had Sophie ook het hoederecht over twee zgn. dochterkloosters:
St.-Niklaas te Veurne en Tussenbeek bij Serskamp.
In Tussenbeek liet hij zo in 1766 een gewezen gasthuisnon uit Rebecq uit de communauteit verwijderen
omdat de discipline er onder leed en te Veurne liet hij om dezelfde reden
de prior afzetten en stond hij toe dat ze een lening van 3000 gulden mochten aangaan
om vroegere schulden te kunnen aflossen en bouwvallige gebouwen te laten restaureren.
Steeds in de weer voor zijn ondergeschikten.
In 1928 schreef pastoor Delestré dat abt Sophie niet alleen
"wijs en milddadig de stoffelijke vooruitgang der abdij" behartigde,
maar ook bekommerd was om het onderhoud van de regeltucht en een regelmatige recrutering
van postulanten en een goede verstandhouding nastreefde met zijn Grimbergse parochianen.
Bij zijn aantreden als abt in september 1755 telde de Grimbergse communauteit 51 leden
waarvan er twee op drie jonger waren dan 40 jaar.
Werkelijk een floriserende communauteit!
Twintig jaar later hief in zijn dagboek al een ware klaagzang aan:
"Ter wille van het decreet van 1772 dat verbiedt kloosterlingen voor hun 25ste jaar tot de professie toe te laten,
hebben wij om zo te zeggen geen roepingen meer gehad.
In het koor zijn zes of zeven priesters aanwezig, onbekwaam om nog enige pastorale functie uit te oefenen.
In de abdij zijn niet meer dan vijfentwintig religieuzen,
geen enkel diaken, noch subdiaken en een abt van vijfentachtig jaar".
De redding was echter in zicht.
Binnen het jaar zouden nog vier postulanten intreden,
zodat de communauteit opnieuw 46 leden bereikte;
waarvan evenwel nu slechts één op drie jonger was dan 40 jaar.
Vaak kon de bevolking beroep doen op de mildadigheid van de abdij.
Raadsheer de Kühlberg schreef hierover:
"Cette abbaye soutient en grande partie les ressources de l'ancien village ou bourg de Grimberg,
qui est toujours considérable. L'utilité qu'on pourrait en tirer encore pour le public serait celle
de lui imposer l'obligation de tenir une école gratuite pour les enfants des pauvres, de fournir un médecin,
un chirurgien et les médicaments pour les pauvres,
à fournir sur billets des curés dans un cercle à déterminer.".
Als gevolg van deze aanbeveling van regeringszijde trof prelaat Sophie in 1768
een nieuwe regeling voor het uitdelen van aalmoezen.
Voortaan diende de pastoor - om het groeiend aantal armen van Grimbergen beter te kunnen helpen -
zelf geld, graan, brood e.d.m. aan de behoeftigen uit te delen.
Abt Sophie blijft in Grimbergen vooral bekend als een kunstminnende abt.
Meerdere kunstwerken in de kerk, de pastorie, de monumentale ingangspoort
en deze sacristie zijn hiervan nog stille getuigen.
In 1765 schonk hij negen grote schilderijen van Vlaamse meesters aan de kerk
en bestelde hij er zes voor de aula van het prelaathuis.
In 1766 liet hij het altaar van de H. Doodsstrijd marbriseren, vergulden en met beeldhouwwerk versieren.
Hij betaalde alles met het geld dat hij van zijn moeder had geërfd.
In 1765 liet hij ook door Goynaud het Forceville-orgel hier in de abdijkerk ombouwen.
In 1767 werd de grote ingangspoort van de abdij gebouwd.
Voor het prelaathuis liet hij in 1768 een pomp in arduinsteen plaatsen,
die meer dan 1100 gulden kostte.
Hij liet de hoeve herstellen, bouwde een nieuwe stapelplaats
voor hout en zorgde voor nieuwe stallen voor de paarden.
In de refter liet abt Sophie een lambrisering plaatsen en kocht hij tapijten,
gordijnen, luchters, stoelen en vergulde tafels met wit marmeren blad
alles te samen voor niet minder dan 2385 gulden.
In het jaar 1767 werd de pastorie van Grimbergen gebouwd.
"De naam van prelaat Sophie, schrijft pater Spillemaeckers,
is onafscheidbaar verbonden met de sacristie van de abdij,
die als een van de mooiste van het land geprezen wordt".
In 1762-1763 liet hij het interieur weelderig inrichten.
Het interieur en de nieuwe vloer in de sacristie heeft meer dan 10.000 gulden gekost
die door abt Sophie uit eigen zak werden betaald.
Voor prelaat Sophie waren de laatste levensjaren bijzonder pijnlijk.
In zijn dagboek schreef hij een melancholische bemerking:
"Onder de vijfentwintig priesters ben ik, 85-jarige, met vele kwalen geplaagd.
De eetlust ontbreekt, de ogen zien niet meer, de slaap is weg, de voeten dragen mij nog nauwelijks.
Mocht mijn dood, die ik voel naderen, de dood der rechtvaardigen zijn".
Abt Jan Baptist Sophie stierf in het refugiehuis te Brussel op 11 mei 1775
en werd begraven hier te Grimbergen in de abdijkerk.
Hij was haast 83 jaar oud, bijna 20 jaar abt,
63 jaar geprofest en nagenoeg 60 jaar priester.
Ten teken van rouw luidde men in de abdijkerk zes weken lang de doodsklokken.
Besluit
De betekenis van prelaat Jan Baptist Sophie voor de norbertijnenabdij te Grimbergen ligt op meerdere terreinen.
Als jonge kloosterling waardeerde hij de regeltucht van abt Augustinus van Eeckhout,
wiens vertouwen hij genoot en die hem tot zijn privé-secretaris aanstelde.
Als pittancier bracht hij de cijnsboeken in orde en als provisor beheerde hij het Grimbergs kloosterdomein,
delgde hij de zware schulden en herklasseerde hij het archief.
Als lid van de Staten van Brabant en als vicaris-generaal van de circarie genoot hij ontzag
en had hij invloed op de premonstratenzer-orde,
als abt zal hij vooral bekend blijven om zijn inspanningen voor het verfraaien van de abdij,
bijzonder dan van deze sacristie die als een enig mooi kunstwerk belangstelling van meerderen blijft genieten.
Jaak Ockeley
|